Faraomier

Algemeen

Faraomieren (Monomorium pharaonis) zijn een op de wereldbol sterk verspreide plaag. Men vindt ze zowel in Noord-Amerika als in Europa. Oorspronkelijk zijn ze uit de tropen afkomstig. Vooral na ca 1945 is er een grote toename door het aanbrengen van centrale verwarming in gebouwen en het toenemende handelsverkeer.

Doordat deze mieren zo klein zijn, geraken ze letterlijk overal in. Ze zijn ook niet kieskeurig wat hun voedsel betreft en eten werkelijk alles: fruitsap, stroop, pudding, cake, vetten, vlees, … en jagen op andere insecten. Soms komen ze voor in hospitalen waar ze zich o.m. voeden in open wonden.

Nesten bevinden zich uitsluitend binnenshuis. De faraomieren hebben een duidelijke voorkeur voor warme plaatsen, zo mogelijk tussen 27° en 30°, zodat hun loopsporen dikwijls beperkt blijven tot de omgeving van warmwaterleidingen, en de nesten dikwijls in die omgeving worden teruggevonden. Ze hebben een voorkeur voor badkamer of keuken, waar ze ook water kunnen vinden, dat ze vooral nodig hebben voor de jongen in het nest.

Gewoonlijk treft men faraomieren aan in grote gebouwen met permanente verwarming: hospitalen, appartementsgebouwen, bakkerijen, hotels, soms
ook in woningen. Wanneer het kouder wordt zullen de mieren niet verdwijnen maar zich terugtrekken op de warmste plaatsen bv. warmwaterleidingen. Werksters zullen betrekkelijk lange afstanden afleggen op zoek naar voedsel en water. Ze zullen daarbij het reukspoor, aangelegd door vroegere werksters, volgen. Zowel water als voedsel worden terug naar het nest gevoerd.

Identificatie

De faraomier is maar 1,5 à 2 mm groot, rossig van kleur, maar soms ook geel of rood. Identificatie van de faraomier is bijzonder moeilijk en moet onder de microscoop geschieden. De koninginnen hebben hetzelfde uiterlijk maar zijn 4-5 mm groot.

Ontwikkeling

Faraomieren leven in kolonies. Ze zwermen niet massaal uit in de zomer maar maken ten gepaste tijde nieuwe kolonies door afsplitsing. Soms nemen koninginnen aan de migratie deel, zoniet nemen de werksters het gebroed mee. Hieruit kunnen ze dan nieuwe koninginnen en mannelijke mieren kweken. Deze zijn essentieel voor de overleving van de kolonie. Heel het jaar door worden koninginnen en mannelijke mieren gekweekt. Oudere exemplaren worden systematisch vervangen. Zo blijft de kolonie onbeperkt overleven. In een kolonie kunnen verschillende koninginnen aanwezig zijn. Een kolonie kan zeer klein zijn (bv. 35-50 mieren) tot zeer groot (bv. 50.000 werksters). Faraomieren kunnen zich snel aanpassen aan veranderde situaties in hun omgeving. Ze bouwen ook tijdelijke nesten bv. in manden, korven of dozen en kunnen zo in andere delen van woning of ander gebouw gedragen worden. De nesten zijn gewoonlijk onvindbaar.

Schade

De faraomier is uitermate hinderlijk in keukens en andere verblijven. Het zijn tevens overbrengers van ziekteverwekkende bacteriën. In ziekenhuizen zijn de faraomieren zeer ongewenst bij sterilisatoren, in operatiekamers en bij patiënten. Ze kunnen op wonden afkomen, alsook onder verbanden en gips.

Bestrijding

Goede hygiënische maatregelen zoals propere vloeren, regelmatig geledigde vuilnisbakken, afgesloten levensmiddelen, enz. werken positief, evenals gekoelde opslagplaatsen.
De aanwezige besmetting kan men bestrijden door spleten en kieren te behandelen met de toepassing van de zogenaamde lokaasmethode waarbij vergiftigde lokazen op de looppaden van de mieren worden aangebracht. De lokaasmethode is de veiligste en degene die de zekerste resultaten geeft. De mieren nemen kleine brokjes mee naar hun nest en vergiftigen er zo de larven mee.

Het is duidelijk de bestrijding van de faraomier vlotter zal gaan in het beginstadium van de besmetting. Het is daarom belangrijk dat, vanaf u de aanwezigheid van dit insect opmerkt, onmiddellijk beroep doet op een bestrijdingsspecialist.

X